Historie
Weetjes
Login aanvraag
Leden Login


PostHeaderIcon Vuurwapen(s)

Pistolen: 

Een pistool is een vuurwapen of, volgens de Wet Wapens en Munitie, een schietwapen. Een pistool heeft geen vaste omschrijving. Een pistool wordt meestal omschreven als een (kort) vuistvuurwapen en een half automatische zelflader. Het systeem berust op het principe dat de houder met een aantal patronen (6-20) in het magazijn wordt ingebracht en dat door de terugstootenergie van het schot op het mechanisme de lege huls  

automatisch wordt uitgeworpen en een nieuwe patroon wordt aangevoerd. Wat een schietwapen is, zegt de wet wel duidelijk. Een schietwapen is een voorwerp dat geschikt is om projectielen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing (vuurwapens) of een natuurkundige reactie (luchtdrukwapens). De groep pistolen kan worden ingedeeld in single-action pistolen en double-action pistolen. Single-action (enkelvoudige actie) wil zeggen dat voor ieder schot de haan vooraf gespannen moet worden. Meestal gebeurd dit door het pistool te laden, dus door de slede van het pistool naar achteren te trekken om zo een patroon in de kamer van de loop binnen te voeren. Daarbij wordt dan vanzelf de haan gespannen. Double-action (dubbelvoudige actie) wil zeggen dat bij dit type pistool het spannen van de haan mechanisch plaatsvindt in de eerste fase van het overhalen van de trekker. In het tweede deel van de trekkerweg komt de haan weer vrij, slaat naar voren en vuurt de patroon af. Een pistool is samengesteld uit een aantal groepen onderdelen, de zogenaamde hoofdgroepen:

A. De sledegroep
B. De loop (met ingebouwde kamer en de sluitveer/sluitveren en sluitveergeleidestang)
C. De kastgroep (of framegroep, ook wel greep of greepstuk genoemd)
D. De patroonhoudergroep
 

 

De sledegroep

De slede van een pistool heeft ongeveer dezelfde functie als de afsluiter van een geweer.
De slede zorgt voor de vergrendeling en de repeteeractie en heeft de volgende onderdelen: (zie:
explosie-tekening)

- Sledehuis met afsluiterblok (2) (meestal een geheel)
- Slagpin met slagpinveer (10)
- Patroontrekker met veer, om na het schot de lege huls uit de kamer te trekken (6)
- Uitwerper (2) (in sommige gevallen), om de verschoten huls tijdens de herlaadactie zijdelings uit de slede te werpen door het hulzengat. De uitwerper kan bij bepaalde modellen ook in de kastgroep vastgezet zijn. Soms functioneert de slagpin, in combinatie met de patroontrekker, tevens als de uitwerper (bijvoorbeeld bij het FN-Model 1910/22). De Colt 1911 en daarvan afgeleide modellen hebben een uitwerper in de kastgroep opgenomen.
- Veiligheidspal (25) met veiligheidsmechanisme (in sommige gevallen).
Bij bepaalde modellen zit de veiligheidspal op de slede, maar bij andere typen weer op de kast van het wapen. 

Bovenop de slede (2) is het keepvizier (34) (aan de achterzijde) en de korrel (37)(aan de loopmonding) aangebracht. Dat zijn de richtmiddelen.

De loop (met patroonkamer)

De loop (3) bestaat uit een (meestal) ronde buis, waarin aan de binnenzijde groeven, de zogenaamde trekken en velden, zijn aangebracht. Deze hebben tot taak de kogel gedurende zijn weg door de loop een draaiende beweging om zijn as mee te geven wanneer deze wordt verschoten. De mate of snelheid van die rotatie wordt beïnvloed door de lengte of scherpte van de draaiende trekken en velden. Die draailengte wordt ook wel spoed genoemd (Duits: Drall: Engels: Twist). Een spoed van bijvoorbeeld 250 mm betekend dat de trekken en velden een volledige draai van 360º hebben gemaakt over een lengte van 250 mm. Daarom is de buitenmaat van de kogel ook iets groter dan de binnendiameter tussen de velden -openstaande randen- in de loop, zodat de kogel er doorheen wordt geperst. Die draaiing is noodzakelijk om de kogel, die anders zou kunnen zwabberen of tollen, wat leidt tot grote schotafwijkingen, een grotere stabiliteit in de vluchtbaan te geven. De kamer is het eerste stukje van de loop waar de af te schieten patroon door de slede of afsluiter in wordt geduwd. Dit gedeelte is dikker dan de loop zelf. Dat moet ook, omdat bij ontsteking van de patroon een zeer hoge gasdruk en temperatuur ontstaan. Deze druk wordt pas minder naarmate de kogel verder door de loop wordt geperst. Als de wand van de patroonkamer niet dik genoeg zou zijn, zou deze kunnen springen en zouden de stukken de schutter om zijn oren vliegen. De ontbranding van bijvoorbeeld de .45 ACP patroon geeft in de kamer van de loop een gasdruk van ongeveer 1400 bar en die van een 9mm Para patroon 2700 bar!

De kastgroep

Da kastgroep van een pistool is de behuizing inclusief alle onderdelen die daarin voorkomen, zoals: (zie: explosie-tekening)



- Sledevangpal. (23), na het laatste schot, als de patroonhouder leeg is, blijft de slede in de achterste stand staan. De schutter ziet dan dat zijn pistool 'leeg' is en kan bovendien dan direct een nieuwe, volle patroonhouder in het pistool aanbrengen. Als hij vervolgens de sledevangpal indrukt, schiet de slede naar voren en wordt een nieuwe patroon in de kamer gebracht, zodat hij direct kan door schieten. 
- Magazijn of patroonhouderpal (15abc), om de patroonhouder uit het wapen te kunnen halen. 
- Veiligheidspal (25), ter blokkering van het afvuurmechanisme, door de tuimelaar (31) en/of de haan (22) en/of de trekkerstang (19), al naar gelang het toegepaste systeem. 
- Trekker met trekkerveer (24/29). 
- Afvuur of trekkerstang (19), de verbinding tussen de trekker en de haan en/of tuimelaar. 
- Tuimelaar (31), die de 'lancering' van de slagpin (10) of het loskoppelen van de haan regelt, zodat die naar voren kan slaan om de slagpin te raken. 
- Haan met haan- of slagveer (18), sommige pistolen zijn haanloos (bijv. de Glock). Bij deze typen wordt de slagpin direct gelanceerd nadat de trekkerstang de tuimelaar heeft laten zakken, waardoor de slagpin vrijkomt om onder druk van de slagpinveer naar voren te slaan. 
- Magazijnveiligheid, indien zich geen patroonhouder in het wapen bevindt, is de tuimelaar en/of trekkerstang geblokkeerd of ontkoppeld.

De patroonhoudergroep

Er zijn mensen die het over een magazijn (5) hebben als ze een patroonhouder bedoelen, omdat ze denken dat dat twee dezelfde dingen zijn. Dat is niet juist. Een patroonhouder is een af of uitneembare houder waarin patronen worden geplaatst en een magazijn is een vast, inwendige opslagplaats daarvoor. De patroonhouder van een pistool is uitermate belangrijk. Alles staat of valt met een goede aanvoer van de patronen. Een verkeerd gemonteerde patroonhouderveer kan al storing veroorzaken. De patroonhouder bestaat meestal uit:

- Patroonhouderhuis (1)
- Aanbrenger (2), oftewel de plaats die de patronen in de houder omhoog stuwt onder een bepaalde hoek. (Deze aanbrenger stelt na het laatste schot de sledevangpal meestal ook in werking.)
- Patroonhouderveer (3)
- Bodem of sluitplaat (4)

Standaard patroonhouders kunnen, afhankelijk van soort, model, merk en kaliber van het wapen, vanaf 5 tot zelfs 25 patronen bevatten.